De dolle dwergen deel 9.Vervolgverhaal
geschreven door Thl.
De zon zakte gestaag aan de azuurblauwe
hemel boven het kabouterdorp. Alle aanwezige gasten zuchtte van opluchting
toen ze hoorden dat de noodstart met behulp van de dappere sterke
ganzen geslaagd was.
Gijnoog nam nu het woord en vertelde het avontuur verder. Hij trok
onnodig het zwarte lapje voor zijn linkeroog heen en weer, terwijl
het andere oog van ondeugd fonkelde. "Daar gaan we" zei hij en stak
van wal. Na het aantrekken met een touw door twee sterke ganzen had
de vliegbezem zijn krachten weer hervonden, de stok werd door zijn
grotere snelheid de ganzen uit de bek getrokken en zoefde achter de
bezem aan. Al snel verdwenen de ganzen uit het zicht. Als goed geoefende
bezemvlieger zette ik een looping in, waardoor we de stok boven onze
hoofden hoorde zoeven.
Slungel die de langste en de vlugste van ons is op mij na, plukte
de stok handig uit de lucht en haalde het touw binnen. Daarna zette
ik bruusk de koers in naar het noorden, daar zouden we immers de reuzen
en vuurspuwende draken moeten vinden. Dikkie had het meest last om
op de bezem te blijven zitten door deze snelle wending en liet zijn
alarmbel gaan in de vorm van kleine gilletjes. Langneus zag het gevaar
aankomen en greep Dikkie juist op tijd bij zijn kraag zodat deze juist
geen vrije val kon maken. Bindt Dikkie voor de veiligheid maar aan
de steel vast met je binnen gehaalde touw riep ik naar Slungel en
gaf een extra ruk aan de bezemsteel, die reageerde door stijl de lucht
in te gaan. "Als je zo door gaat Gijnoog komen we nog op de grote
beer terecht" zei Langneus met een schaterlach.
Dat had hij goed gezien, want de avond viel en de eerste grote sterren
werden al zichtbaar. De vliegbezem deed het weer zoals vroeger en
toonde schijnbaar geen enkel probleem meer. Al spoedig werd het kouder
en kouder en ze vlogen door dikke grijze wolken. Het leek wel een
grote regenbui, we werden drijfnat en zagen niets meer in die dikke
mist.
Rillend van de kou zaten we op de bezem die met steeds groter snelheid
omhoog voort raasde. Eindelijk eens een fris bad grapte ik om de zaak
wat op te vrolijken. Enkel het gejammer van Dikkie was het resultaat,
niemand kon er om lachen. De stromende regen maakte plaats voor dichte
mist en even later zagen ze weer heldere sterren aan een langzaam
donker wordende hemel.
Ik zag dat we nog goed op het noorden lagen we zaten wel heel hoog,
een witte wereld lag diep onder ons, maar van reuzen of vuurspuwende
draken was geen spoor te bekennen. Langneus riep me toe dat we nog
steeds sneller gingen en vroeg wat af te remmen toen er plotseling
een bizarre schok door de bezem en ons heen ging.
Plotseling was het doodstil om ons heen. Geen luidruchtig geruis meer
van de wind die door de borstel van de bezem hoorde te komen, hoewel
we ons stevig moesten vasthouden om niet weg te waaien. Ik zag mijn
drie metgezellen hun mond ver open sperren alsof ze het uitschreeuwde.
Ondanks de stilte die volkomen was, hoorde ik niets van hun geschreeuw.
Alleen mijn eigen doffe stem die in mijn hoofd leek te brommen; "Alle
heksenbezems nog aan toe, we gaan echt naar de sterren ik heb geen
enkele controle meer over dat bezem vlieg ding".
Het was even doodstil van de spanning in Papopels dorp, dat grillig
verlicht was door de honderden glimwormen die hun zachtgroene lichtjes
lieten schijnen.
Daarna barste een gebabbel los van de gasten, "jammer geen reuzen
gezien, "alleen kou en regen, nou dat hadden ze hier ook genoeg gehad,
daar hoef je niet zo voor te vliegen piepte bruinmuis, Rossy kat hield
een straf oogje op Gerrit de merel zijn dikke poten en leek niets
gehoord te hebben. Even later na wat gedronken te hebben gingen allen
slapen, morgen zouden ze het vervolg wel horen.
Thl1511201237 Auteursrechten voorbehouden volgens de wet.
Word vervolgd.