Symphonie, HET WEZEN.
In een symfonie van geluid verdwijn ik in een zwak deinend oppervlak,
gehoorzaam alle doorgaande en vaste vormen omgevend, uit oerverlangen gedreven.
Geen mens die me aanschouwde, of toch, maar niet geheel bewust!
Jaar in jaar uit, stil strevend, soms abrupt onderbroken of in andere vorm gestoken,
zomer en winter 't zelfde spel, die nimmer aflatende symfonie van geluid, geschapen
uit vloeibaar kristal.
Niemand keek, niemand weet, ik ben niemandal.
Al wachtend is dan mijn tijd gekomen, iemand kan nu m'n symfonie vertonen.
In mijn verstarring keek hij toe.
Zijn vreugde groeide met mijn vormen, in schitterend kristal gedragen op mijn
altijd deinend oppervlak,
verstarde mijn beeltenis op zijn geraffineerd gevormde voet,
elk deel der symfonie vastleggend in mijn uitkristaliserend lichaam,
al lustig speels doorstroom ik mijn vaste vorm,
m'n klanken hondervoudig weerkaatsend in mijn gewelven,
hen voedend met zichzelf, als om de overpracht der echo in mij, nu zichtbare
wezen,
uit te drukken in lichtflonkering, het grote licht reflecterend, dat mij eens
m'n mogelijkheden gaf.
Dan is mijn tijd voorbij.
Gehoorzamend aan m'n opgelegde mogelijkheden herneem ik weer mijn vorm voor
dit moment.
Iemand keek, Iemand weet, ik ben nog overal.
THLl171852 auteursrechten volgens de wet