De gekende vreemdeling.
Sinds onheugelijke tijden waak ik over
dingen die onder mij voorbij gaan, terwijl ikzelf voorbij ga zonder voorbij te
gaan.
Gehuld in een "laken" van warmte en licht bezie ik en word ik bezien.
Wat ik zie is de droom van elk dierlijk en menselijk wezen.
Het gevoel van warmte en licht dat me doordringt en verzadigt tot de mogelijkheid
van m'n grenzen,
de welke ik opschuif van einder tot einder, maakt mij groot, zo mijn taak vervullend
als wachter.
Oppasser van een blauw juweel dat schittert tegen een inkzwarte achtergrond,
omrand en doordrenkt van duizenden kleine safieren, robijnen en smaragden.
Gerangschikt door de zelfde kracht die mij tot wachter maakte in ongelooflijk
mooie lichtende patronen.
Schijnbaar dichtbij, doch vanuit ondenkbare diepten opduikend, onaantastbaar zijn
ze daar.
Zo ga ik voorbij in voor mensen onvoorstelbare tijden, zonder voorbij te gaan,
tussen eeuwig licht en eeuwige duisternis.
Dan, ter bestemdertijd, wijkt de zijde der duisternis.
In een feller wordende gloed wordt een der kleine smaragden tot een reus.
Stralend gaat hij voort zijn lichtende waaier van schittering voor zich en dan
weer achter zich aan slepend.
Zijn waaier geeft het blauwe juweel een aura dat neerdaalt op mijn diffuse grijze
kant
en maakt zich één met het gevoel van warmte en licht waarin ik me koester.
De dag was daar de droom was heen.
Droomend kijkt een mens omhoog.
De vroege avondhemel toont hem na het ontkleuren van het goud der zon, de juist
verschenen maan.
Een heldere ster wijst haar daar aan.
Snel wordt de smalle maansikkel scherp omlijnd.
Langzaam tekent zich het donkere deel van haar oppervak af, zacht, geheimzinnig
verlicht, asgrauw, als snakkend naar wat licht.
De ster beroert haar amper, zijn kracht heeft geen gewicht.
Het grijs is slechts het licht der aarde dat deze ontleende
aan de zon,
dat de maan aan deze zijde zo somber maakt.
Het licht gekleurd door de dingen der mensen, het schildert de schaduwen der bergen
op de maan.
Het vult haar kraters met asgrauw.
Sterren omlijsten haar tussen Tweelingen en de Leeuw.
Weldra gaat zij onder, de ster wijst naar waar zij stond, totdat hij op de zelfde
plaats verzonk.
Dromend kijkt een mens omhoog daar waar de zon aan de kim verzonk.
De maan was weer daar, doch met de ster vergroeid.
De maan die de boodschapper van het zonlicht is, lichtte weer en nam wat minder
van het grijze der aarde dan voorheen.
Zo passeerde zij aan het sterrebeeld Weegschaal.
Als men s'avonds haar glans bekeek, zo half verlicht in gouden schijn,
kon men inzien hoe groot de invloed van de zon moest zijn.
Is het licht der maan geen weerkaatste zonneschijn?
Haar licht, zacht maar klaar, deed de sterren wijken van de Schorpioen en bedekte
daar het licht van de eerste telg der Zon.
In vreugde neemt men de bezieling mee en bij de eerste stralen van de Zon, deelt
men haar in twee.
Een avond later , als de Zon in zijn kleurenpracht lijkt opgelost, staat de maan
aan de midhemel.
Een ster eronder wijst omhoog naar de trotse maan, waarvan de vlakke kant reeds
is afgerond.
Haar stralengloed doet die vergaan, als onzichtbaar door haar overmaat van licht.
Een zacht vermaan helpt bij de twijfel:
Meng het zonlicht niet met het asgrauwe schijnsel, dat van de mens is uitgegaan,
hij, die maanlicht voor het zonlicht door laat gaan.
Zonlicht heeft alleen zijn volle kracht, als het rechtstreeks
door de Zon is ingebracht.
Zo is ook de Zon de spiegel van je hart.
De Maan werd vol en toonde al zijn pracht, in een met sterren omzoomde nacht.
Dan slinkt de maan,wordt kleiner en plat, tot ...."nieuwe
maan", het lijkt met haar gedaan..
Haar licht is uit voor wie niet "ziet", ........niet weet.
Na morgen is ze weldra aan, een begin van nieuw bestaan.
Want sinds onheuglijke tijden waak ik al rondgaand over de dingen die onder mij
voorbij gaan,
terwijl ikzelf voorbij ga, zonder voorbij te gaan.
Gehuld in het "laken" van lichtende warmte van het licht der lichten achter alle
lichten.
THL1108899Auteursrechten voorbehouden volgens de wet.
Terug <>>>Poëzie